Schets van de geschiedenis van Burundi.
Als sterk hiërarchisch koninkrijk sinds de 16e eeuw, werd Burundi in 1903 een Duitse kolonie. In 1918 is het onder de Belgische heerschappij gekomen tot aan de onafhankelijkheid in 1962. Het land heeft de vorm van een hart en is iets kleiner dan Nederland. Dit land van de duizend heuvelen is een land zonder dorpen: de “rugos” — enkele hutten waar bepaalde families wonen — liggen verspreid over de hellingen en de toppen. Het is een van de dichtstbevolkte landen van Afrika en ligt duizenden kilometers verwijderd van een haven. Het behoort dan ook tot een van de armste landen ter wereld. De samenstelling van de bevolking is altijd een bron van grote moeilijkheden geweest.
Er zijn drie stammen: de Tutsi’s, de Hutu’s en de Batwa’s, een Pygmeeënvolk. Enkele jaren na de onafhankelijkheid is Burundi een republiek geworden. Tot het moment dat de zusters Burundi verlaten hebben achtereenvolgens de volgende presidenten geregeerd: Micombero, Bagaza en vanaf 1987 Pierre Buyoya, door staatsgrepen kwamen ze aan de macht; Ndadaye Melchior, Cyprien Ntaryamira en Sylvestre Ntibatunganya, door democratische verkiezingen. Ndadaye is na drie maanden vermoord en Cyprien Ntaryamira is met de president van Rwanda Juvenal Habyarimana door een vliegtuigongeluk om het leven gekomen.
De pioniers, 1957

In het begin van 1957 kwam er bij de zusters van de Congregatie van de Liefdezusters van het Kostbaar Bloed een haast niet meer te stuiten verlangen op, om met een nieuwe missie te beginnen, daar de Indonesische regering geen nieuwe missionarissen meer toeliet. Er kwam een oproep van Paus Pius XII, om de aandacht op Afrika te richten: in Burundi was werk in overvloed.
Zr. Theonita, de toenmalige Algemene Overste, bezocht in die tijd een missietentoonstelling in Brussel en sprak daar met Pater G. van de Ven, een Witte Pater, die al langere tijd in Burundi werkte.
Op 7 november 1957 stapte Zr. Theonita met drie zusters in een klein vliegtuig op weg naar de hoofdstad van Burundi, Bujumbura. Het waren Zr. Josephine, Zr. Emmanuële en Zr. Angela. Na enkele dagen rondzwerven in de huizen van de Dames de Marie, een Belgische congregatie, kwamen ze aan in Rugari, waar ze een huis ter beschikking kregen. De totale kosten zouden fl. 90.000 worden, in termijnen te betalen. In januari 1963 werden de laatste
fl. 10.000 afgelost, bestemd voor de gebouwen. De grond behoorde aan het diocees oftewel de Propaganda Fide.

Twee zusters van de Dames de Marie hadden besloten de zusters gedurende de eerste twee moeilijke maanden te helpen. Zr. Emmanuële, die na ongeveer negen maanden wegens ziekte terug naar Nederland moest, werd vervangen door Zr. Coleta.
Jaren 1958-1964
Zr. Paula, een onderwijzeres, en Zr. Clementia, verpleegster, kwamen de ploeg versterken. In mei 1958 kreeg Zr. Clementia de leiding van de dispensaire in Rugari. Per dag moesten gemiddeld 200 zieken worden verzorgd. Zij kreeg hierbij hulp van inlandse verplegers. Zr. Angela leerde de meisjes het naaivak, Zr. Josephine had de zorg voor het catechemunaat. Op aandringen van de Witte Paters, werd in september 1960 een tweede huis gesticht in Muyinga. De zusters begonnen er met een weeshuis en Zr. Paula leidde er een meisjesschool.

Op 24 juni 1964 kwam Zr. Paula, die onderweg was naar Ngozi, om lesmateriaal in te kopen, door een auto-ongeluk om het leven. Het was een zwaar verlies. Zij was één van de pioniersters van de Congregatie in Burundi. Algemeen was de waardering voor haar persoon als religieuze, haar inzet om de nood van de allerarmsten te lenigen. Zij werd in Ngozi begraven.
Zr. Ignatia werd gevraagd om haar lege plaats in te nemen. Voor haar vertrek op 23 november 1964, volgde zij met Zr. Clementia, die op verlof was, in Lyon een cursus in leproserie. Zij konden niet voldoen aan de voorwaarden die gesteld werden om leprapatiënten te verzorgen, al stelde Kardinaal Leger van Canada daarvoor een huis ter beschikking.

Dit huis werd later bewoond door de Militantes de la Sainte Vierge. Zij verrichten pastoraal werk in de parochie van Muyinga.
Zr. Josephine volgde Zr. Paula op als leidster van het klooster in Muyinga. Zij vroeg dringend om geld voor de uitbreiding van het weeshuis wegens het groeiend aantal weeskinderen. Evenals in Rugari waren de gebouwen eigendom van de Congregatie, maar de grond behoorde aan het diocees Muyinga. Intussen waren ook
Zr. Eveline, Zr. Jacobine, Zr. Mariëtta, Zr. Reinhilde en Zr. Augustine naar Burundi gekomen. Zr. Eveline kreeg de leiding van het catechemunaat in Rugari. Ze deed dat voortreffelijk. Zr. Marietta werd directrice van de meisjesschool in Muyinga.
Zr. Jacobine vertrok 18 juli 1961 met de Algemene Overste Zr. Theonita. Omdat ze de cursus tropische ziekten in Antwerpen niet meer had kunnen volgen, moest ze nog stage lopen in een ziekenhuis te Bujumbura. De bedoeling was dat ze in het ziekenhuis te Muyinga zou worden aangesteld. Door allerlei omstandigheden bleek dit achteraf niet mogelijk, al hadden de Witte Paters dat graag gezien.







Burundi werd onafhankelijk op 1 juli 1962. Daardoor daalde de invloed van de Belgen, want de Afrikanen wilden zoveel mogelijk alles zelf gaan doen.
Jaren 1965-1996
Op 19 april 1966 vertrok Zr. Ina die vanaf 1963 Algemene Overste was, met twee leken-ziekenverzorgsters uit Goirle naar Burundi. Met hen werd een contract gesloten voor drie jaar. Ze zouden in het weeshuis hun diensten verlenen. Later hebben Belgische stagiaires in de dispensaire van Rugari en het weeshuis van Muyinga nog geholpen.
Een experiment om ook inlandse zusters op te nemen in de Congregatie van de Liefdezusters van het Kostbaar Bloed, bleek niet haalbaar. Cecile Simbizi bracht haar postulaat en noviciaat door in Koningsbosch vanaf 1965 tot 1968.
Als tijdelijk geprofeste keerde Zr. Paula Simbizi in augustus 1968 terug naar haar vaderland.
Maar vanwege de stammenstrijd tussen Hutu’s en Tutsi’s en de “evenementen van 1972” , vluchtte zij uit angst, naar Rwanda, het buurland. Ze vroeg om ontslagen te worden van haar geloften.
Daarna besloot het generaal bestuur geen inlandse meisjes meer toe te laten omdat de bisschop dat niet meer wilde. Wel wilde de Nederlandse Congregatie hen een goede opleiding geven, om ze dan te verwijzen naar bestaande inlandse congregaties zoals de Bene-Maria, de Bene-Theresia en de Bene-Mukama, gesticht door de Dames de Marie, de Witte Zusters en Mgr. Ntuyahaga.

Van links naar rechts: zr. Augustine, zr. Clara, zr. Margaretha en zr. Annunciata
Van de zusters die tijdens de eerste tien jaren waren uitgezonden, keerden er enkelen terug, en wel om diverse redenen: gezondheid en persoonlijke redenen. Zr. Ignatia, o.a. omdat de scholen door een besluit van de regering in 1969 in handen kwamen van inlandse leerkrachten.
Inmiddels was Zr. Aquinata tot Algemene Overste gekozen op het Kapittel van 1969. Bij haar eerste bezoek aan Burundi nam ze nieuwe missionarissen mee, te weten Zr. Clara, Zr. Annunciata en Zr. Bernardine. Deze missiezusters kregen vooraf de gelegenheid om zich de Franse en inlandse taal eigen te maken. Later kwamen daar Zr. Margaretha en Zr. Veronique bij. Deze laatste kon het helaas niet bolwerken en kwam terug in 1980.
Samen met Zr. Angela, Zr. Clementia en Zr. Augustina hebben zij de bestaande apostolaatswerken voortgezet. Daarnaast zochten zij ook naar andere noden om deze, waar mogelijk, te lenigen. Zo ontstonden er gezondheidscentra op de heuvels in de omgeving van Rugari en Muyinga. Als een soort voorbereiding hierop was Zr. Clara gestart met een foyer social, te vergelijken met een mini-huishoudschool. Het catechemunaat werd “éducation de base” dus basisonderwijs.
De naam veranderde, het werk bleef hetzelfde nl. catechese, maar hier werd nog bijgevoegd: lezen, schrijven en rekenen. Zr. Annunciata was verantwoordelijk voor dit werk. Zij heeft veel gedaan voor een goede vorming en begeleiding van de catechisten die een grote taak hadden in dit onderwijs.
Zr. Augustina met een tweeling

Het weeshuis van Muyinga kreeg na verloop van tijd een andere bestemming. Het werk bij de weeskinderen van 0 tot 3 jaar was ontzettend zwaar, ook al door het grote aantal: 60 tot 80 was normaal. Als er dan nog besmettelijke ziekten uitbraken, was het niet om te doen. Daar kwam nog bij de noodzakelijke verzorging gedurende de nacht.
Als verantwoordelijken moesten de zusters steeds present zijn. Het werk werd vooral zwaar, doordat vaak de kleintjes gezond en goed gevoed naar huis terugkeerden, maar dat na zéér korte tijd, de kleuter weer ondervoed was geworden, doordat de 2e moeder dit kind dikwijls verwaarloosde.
Want ondertussen was de vader hertrouwd en hadden ze een eigen kind gekregen. Een feit is ook dat de ouderloze kinderen eigenlijk beter opgevangen konden worden door de naaste familie of stamgenoten.
Hun cultuur is: dat de ouderen moeten opkomen voor de jongeren en ook omgekeerd. En werden ze bij de zusters niet te Europees opgevoed, verwend, zodat ze later het leven in hun milieu niet meer aankonden? Velen stierven dan daarna toch nog door gebrek aan voedsel, water, sanitaire verzorging etc.
Het een en ander leidde ertoe, dat een centrum voor gehandicapten werd gerealiseerd in de gebouwen van het weeshuis. Zorg voor deze categorie mensen, bestond hoegenaamd niet in de omgeving van Muyinga.



Zr. Clara en onder zr. Margaretha bij een groep van gehandicapten die geopereerd zijn.
Zr. Margaretha en zr. Clara met drie kinderen van Makamba-Gitega.
Voedseluitdeling in het gehandicaptencentrum.
Zr. Clara kreeg er samen met Zr. Augustina als verpleegkundige de leiding van. De operaties werden verricht in het ziekenhuis ter plaatse, de nazorg gebeurde in het centrum. Het is een “centrum de passage” geworden. Men wilde de gehandicapte een vak leren, zodat hij of zij na enkele jaren in eigen onderhoud zou kunnen voorzien: een naaiatelier, een bakkerij, mogelijkheden voor het beoefenen van de inlandse huisvlijt o.a. het vlechten van mandjes, het maken van postkaarten etc.
Zelfs vervaardigde men er van de papyrusplant, een soort plaat, die in vele gebouwen reeds als plafond gebruikt werd. Ook hadden de kleinere gehandicapten de mogelijkheid om naar school te gaan. Onvermoeibaar bleven de zusters zoeken naar mogelijkheden om deze gehandicapte medemens aan een bestaan te helpen. Hun aantal was dan ook groeiende; kinderen en volwassenen.
Het maken van wenskaarten was voor sommige gehandicapten een dagelijkse bezigheid
Sinds de jaren negentig zijn ze begonnen met de fabricatie van “MUSALAC”.
Een bereiding van verschillende lokale granen, o.a. sorgho, mais, soja. Deze granen werden opgekocht bij de plaatselijke bevolking en op het centrum verwerkt.
Nadat de granen waren uitgezocht, gewassen, geroosterd en gemalen, werd het vermengd met melkpoeder en suiker. Dat alles werd verpakt in plastic zakjes, voorzien van een etiket en nogmaals een zakje. Dan was het klaar voor de verkoop. Deze voeding bleef z’n waarde drie maanden behouden. Veel kilo’s gingen naar de gezondheidscentra, de ziekenhuizen en vooral in de oorlogstijd, naar de vele vluchtelingenkampen. Het was een waardevol product dat zeer geschikt was voor ondervoede kinderen, kleuters, schoolgaande jeugd, moeders in verwachting etc.

In plaats van opname in het weeshuis, ging men vanaf nu de moeders met baby’s en kleuters op de heuvels onderrichten.
Ze kregen er lessen in verzorging, hygiëne en voedingsleer. Wat betreft de voeding probeerde men zoveel mogelijk gebruik te maken van wat het land zelf leveren kon. Daarom gaf men ook kooklessen, waarna het gerecht door de vrouwen en kinderen werd genuttigd. Tegelijkertijd werden zieken voorzien van noodzakelijke medicijnen, en wonden, opgelopen door een of andere oorzaak, verzorgd.
Dit zeer gewaardeerd sociaal werk namen Zr. Annunciata en Zr. Margaretha op zich, daarbij geholpen door inlandse krachten, die regelmatig bijscholing genoten.
Onderwijs voor de moeders

Helaas werd Zr. Clementia in 1980 getroffen door een hevige maagbloeding. Haar toestand was zeer kritiek. In Muyinga werd zij geopereerd door een Franse chirurg waarna zij snel per helikopter van de militairen naar de hoofdstad Bujumbura gebracht werd om verder op transport gezet te worden naar Nederland/Sittard. Goddank herstelde ze in Nederland na verloop van tijd. Maar terugkeer naar Burundi zat er voor haar niet meer in.
Twintig jaar lang had ze met inzet van al haar krachten gewerkt voor de zieke medemens veraf in de dispensaire van Rugari. Om dit werk uit handen te moeten geven was voor haar een moeilijk besluit. In de harten van vele mensen daar, had zij lange tijd nog steeds een grote plaats. Men kon haar niet vergeten.
Door gebrek aan krachten in de congregatie en daardoor ook in Burundi, werd de post Rugari in september 1984 gesloten en overgedragen aan het bisdom Muyinga. Zo kwam Rugari in handen van een Rwandese congregatie: de Bene-¬Bikira. Zij namen ook de dispensaire over.

Dispensaire en laboratorium van het gehandicaptencentrum
Gedurende de regeringsperiode van president kolonel Bagaza, braken er moeilijke tijden aan voor het land en het volk van Burundi. De kerk en daardoor ook de missionarissen werden beperkt in hun activiteiten. Het liep uit op een regelrechte kerkvervolging.
Missiescholen van broeders en zusters werden staatsscholen, kerken werden gesloten. Godsdienstoefeningen mochten door de week alleen plaats hebben nà 5 uur en op zondagen. Missionarissen en vrijwilligers werden het land uitgezet.
Ook Zr. Annunciata werd hier het slachtoffer van. Op 28 mei 1987 kwam ze doodvermoeid van spanning en verdriet in Nederland aan. Het was wel haast zeker dat de andere drie spoedig zouden volgen. Uit voorzorg hadden Zr. Clara en de bisschop van Muyinga reeds contact opgenomen met een inlandse congregatie: de Bene-Maria.
Deze stuurde drie zusters om ingewerkt te worden, zodat ze later de leiding van het gehandicaptencentrum zouden kunnen overnemen. Ook de andere zusters kregen het “niet meer gewenst” in het paspoort, en ze moesten de datum van vertrek vaststellen. Toen kwam het bericht dat de regering Bagaza gevallen was.
Een staatsgreep bracht Pierre Buyoya aan de macht. Aan de kerk werd weer meer vrijheid gegund. De zusters kregen een nieuwe verblijfsvergunning. Maar de vreselijke spanningen, die ze doorgemaakt hadden, eisten hun tol. Daarom werd toch besloten dat ze voor enkele maanden op verlof konden gaan, om daarna weer met frisse moed verder te gaan met hun opbouwend sociaal werk. Althans dit was van toepassing op Zr. Clara, Zr. Augustina en Zr. Margaretha. Zr. Annunciata moest nog ruim een jaar wachten voor ze weer werd toegelaten tot het land.
En Zr. Angela? Ze was op 28 mei 1987 op verlof gegaan, samen met Zr. Annunciata. Ook zij was hard toe aan een welverdiende vakantie. Dertig jaar lang heeft ze alles in het werk gesteld om gehandicapte meisjes en jongens het naaivak te leren, eerst in Rugari en later ook in Muyinga. Zr. Angela leerde de mensen omgaan met kippen, konijnen en varkens, zodat zich er een gezond ras kon ontwikkelen. Allerlei soorten werk heeft ze er verricht.
Zij was zeer trouw aan haar religieuze verplichtingen en vaak was zij “als Mozes” en hief de handen biddend op, als de anderen voor moeilijke opdrachten of besprekingen naar de hoofdstad gingen. Wegens haar hoge leeftijd en verminderde weerstandsvermogen werd besloten dat ze niet meer terug zou gaan. Ook haar naam en gedachtenis leefde voort in de harten van de medemensen, waaraan ze zoveel goed had gedaan.
In 1975 had het generaal bestuur van de Congregatie de missie Burundi overgedragen aan de Nederlandse provincie. Naast de Generaal Overste Zr. Patricia, bezochten ook de Provinciaal Oversten: Zr. Wilhelmine ,
Zr. Maristella en Zr. Engelberta en de missieprocuratrice, Zr. Inviolata, vaak de zusters in Burundi. Steeds weer moesten ook zij tot grote voldoening constateren dat de missionarissen, in navolging van de stichteres van de congregatie van de Liefdezusters van het Kostbaar Bloed: Moeder Seraphine, het opnamen voor de allerarmsten in dat land.
Hier past ook een woord van dank aan de Witte Paters, werkzaam in Burundi. Zij betekenden een grote steun en toeverlaat in de moeilijke beginjaren, maar ook steeds daarna. Met name mogen o.a. genoemd worden: Pater van de Ven, Pater van de Velde en Pater De Smet.
Ook bij de Broeders van Scheppers konden de zusters steeds terecht met hun problemen en vragen, en dat resulteerde vaak in daadwerkelijke hulp.

In november 1990 bracht Zr. Materna, in 1987 tot Generaal Overste gekozen, samen met Zr. Inviolata een bezoek aan Burundi. Al vaak was bij de besturen in Nederland de gedachte opgekomen: wordt het niet langzamerhand tijd onze zusters uit Burundi terug te roepen om het steeds groter wordend tekort aan zusters hier in Nederland aan te vullen?
Immers de Duitse zusters van Gitaramuka, naaste buren van de zusters in Muyinga, waren ook om die reden naar Neuss in hun vaderland teruggegaan. Men had de zusters in Burundi dan ook herhaaldelijk voorgehouden: “Houdt er rekening mee, dat uw werk straks door inlandse zusters overgenomen moet kunnen worden. De congregatie, althans de Nederlandse Provincie, kan geen hulp meer sturen!”
De zusters in Burundi verwachtten dan ook, dat Zr. Materna met concrete besluiten hierover zou komen. De jongere zusters in Indonesië en de Indonesische Provincie stelden voor om in de afgelegen gebieden van Oost Timor een centrum neer te zetten.
Voor wat betreft Burundi luidde het advies: ga rustig verder met het prachtige missiewerk bij de gehandicapten en de gezondheidszorg op de heuvels maar houd er ook rekening mee dat de Nederlandse zusters teruggeroepen zullen worden.
In 1994 bracht Zr. Materna samen met Zr. Engelberta een bezoek aan Burundi, om het besluit van de Provincie en het Generaal Bestuur mee te delen: door de leeftijd en de gezondheid van de zusters in Nederland kon niemand uit Nederland het missiewerk voortzetten.
Na veel gebed en overleg met de bisschop van Muyinga Mgr. Nterere Jean Berchmans, kwam men tot de conclusie: het inschakelen van inlandse zusters en wel vanaf eind 1995, zodat die zusters in staat waren de werken in juni 1996 over te nemen!
In juni 1996 droegen de Nederlandse zusters definitief het werk over aan de Bene-Mukama en keerden met pijn in het hart voorgoed in Nederland terug.

Afscheid van Burundi: Tussen de Nederlandse zusters de Burundese zusters die nu het centrum beheren
Bijna 40 jaar dus was de Congregatie van de Liefdezusters van het Kostbaar Bloed sterk betrokken bij het wel en wee van het midden-Afrikaanse land Burundi. De Nederlandse congregatie deed de belofte om het centrum van Muyinga financieel te blijven helpen.
In de loop van de jaren zijn tal van pakken naar Burundi opgestuurd: vooral rozenkransmateriaal, kookketels , solarcooker, leer voor de protheses en klinknagels, medicijnen, gips, verband, naaimachines etc. Grote vrachten werden per vliegtuig gezonden; het is veel duurder, maar eerder en veiliger op de plaats van bestemming en ongeopend dan wanneer het per boot zou gaan.
Muyinga ná 1996
Vanuit Nederland organiseerden de zusters samen met familieleden, scholen en andere weldoeners diverse activiteiten om geld in te zamelen voor Burundi.
In november 1998, werden de Nederlandse zusters uitgenodigd om het 100-jarig-bestaan van het Christendom in Burundi, mee te maken en tevens aanwezig te zijn bij de inwijding van de nieuwe kathedraal in Muyinga. Alleen Zr. Clara nam de uitnodiging aan.
De situatie was op dat moment wat stabieler en de feestelijkheden rondom het 100-jarig bestaan verliepen prachtig. Ook de inwijding van de kathedraal was uniek. Vier uur heeft de plechtigheid geduurd, maar men heeft zich geen minuut verveeld. Wat betreft de werken: het gehandicaptencentrum ging goed vooruit. Er waren zelfs méér kinderen aanwezig, dan sinds de zusters waren vertrokken. Ook op de gezondheidscentra had men het werk dat men met veel ijver begonnen was, voortgezet.
Heel dankbaar en blij kwam Zr. Clara dan ook weer terug nu zij met eigen ogen had gezien, dat al de werken van de zusters, vooral het zich richten tot de armsten der armen, op goede wijze doorgingen.
Zr. Annunciata en zr. Margaretha brachten in 2005 enkele weken door in Muyinga en waren getuige van het goede werk van de Burundese zusters.
Bertha Dirkx was lange tijd een vaste contactpersoon tussen de Congregatie in Nederland en de zusters in Muyinga: zij ging regelmatig naar Burundi om te zien hoe de projecten vorderen.
De zusters bleven bidden om roepingen, zodat ook de Burundese congregatie, in de toekomst, de mooie werken zou kunnen blijven voortzetten.
Hulp aan Muyinga
Het gehandicaptencentrum probeert zelfstandig te functioneren maar de inkomsten zijn ontoereikend. Daarom is hulp van buitenaf nodig.
Wilt u ook Muyinga helpen? Dat kan. Door eenvoudig geld over te maken op bankrekeningnummer NL86RABO0147606608 t.n.v. Missieprocure te Sittard.